|
INLEIDING
Een
architect in de fysieke wereld creëert een ruimte.
Een ruimte om te leven, een ruimte om te werken. Een
ruimte die past bij de maat van de Mens. Bij de vormgeving
van het bouwwerk dat die ruimte omsluit, voert hij
een gevecht tegen de zwaartekracht.
Eind jaren zeventig verscheen de trilogie The timeless
way of building, A pattern language en The Oregon
experiment met als hoofdauteur de fysieke architect
Christopher Alexander. Ook in de wereld van de Informatie
Technologie (IT) hebben deze boeken grote indruk gemaakt.
Vooral het boek over patterns maakte veel los. Dat
leidde zelfs tot de introductie van dat begrip in
de IT-wereld. Deze wereld wordt tegenwoordig overstelpt
met goedbedoelde ideeën, die als hapklare oplossing
worden verkocht onder het label patterns: architectuur
patterns, design patterns, process patterns, security
patterns enzovoort. Het ‘tijdloze’ bij Christopher
Alexander verwijst naar zijn persoonlijke overtuiging
dat architectuur dient aan te sluiten op een innerlijke
beleving van de gebruikers en niet op de laatste modegrillen.
Hij vond dat de architectuurtheorie op dat moment
failliet was. Er lag te veel nadruk op visuele effecten
en veel te weinig op ruimtelijke en emotionele beleving.
De parallel met de IT-wereld is duidelijk. Ook binnen
de IT wordt men heden ten dage overstelpt door allerlei
technologieën die als spiegeltjes en kraaltjes over
de gebruikersgemeenschap worden uitgegoten. Dus veel
visueel effect, terwijl de vraag naar een echte noodzaak
achterwege blijft.
Ook in de IT-wereld hoort beleving centraal te staan.
Geautomatiseerde informatiesystemen horen te appelleren
aan een innerlijke beleving; zij horen gebruikers
zowel in de rol van werknemer als die van (wereld)burger
uit te dagen zich te ontplooien. Het grote drama in
de IT-industrie is dat er schijnbaar (op korte termijn)
erg veel geld is te verdienen met de overhaaste toepassing
van die IT. Daardoor worden de meeste uitvindingen
nog voordat ze gerijpt zijn in de ‘laboratoria’, reeds
ingezet in het functioneren van bedrijven en overheid.
Een andere belangrijke architect uit de fysieke wereld
was Gaudi. Hij had de moed om een frisse belevingsruimte
te scheppen in het grijze, grauwe Barcelona van het
begin van de vorige eeuw.
In feite is het gemiddelde informatiesysteem zo saai,
zo sleur bevorderend, zo gebruiksonvriendelijk als
de onderliggende chips. Technologisch is er tegenwoordig
erg veel mogelijk. In principe kunnen er informatiesystemen
worden ontworpen die uitgaan van de mens. Maar wij
zien nog te veel informatiesystemen die uitgaan van
de technologie. Dit is een werkwijze die veel architecten
hebben overgenomen uit het mainframetijdperk, waarin
de gebruiker nog de slaaf was van de apparatuur.
Carel Weeber, een roemruchte architect uit ons eigen
cultuurgebied en bekend vanwege het ‘wilde wonen’,
ageerde sterk tegen het Vinex-beleid. Volgens hem
resulteerden de rigide planningspraktijken ŕ la Berlage
tot versteende tentenkampen die de mens elke vorm
van leefgenot ontnemen.
Wat de drie hierboven genoemde fysieke architecten
gemeen hebben is het feit dat ze protesteren tegen
het mechanisch ontwerpen; tegen het gebrek aan werkelijke
creativiteit.
Het vakgebied van de IT is nog betrekkelijk jong,
zeker in vergelijking met de bouwkunst die er sinds
de eerste piramides al ruim vijfduizend jaar op heeft
zitten. Laten wij daarom de lessen uit de fysieke
wereld ter harte nemen. Laten wij naast toekomstvastheid
ook kwaliteitscriteria als gewenste organisatiecultuur
en individuele beleving centraal stellen, wanneer
we architecturen voor de virtuele wereld van de IT
willen concipiëren.
Voor digitale architecten is het dus de kunst om een
digitale leef- en werkruimte te creëren. Een digitale
ruimte waarin de mens wordt verleid zich te ontplooien,
wordt uitgedaagd zich te ontwikkelen. Hiervoor is
naast veel vakmanschap ook creativiteit en durf nodig.
Durf om de gebruiker als mens centraal te stellen.
Voorts vinden wij dat het instrument van de architectuur
niet alleen gebruikt dient te worden bij de realisatie
van informatiesystemen, maar tevens als management-
en beleidsondersteunend instrument bij complexe besluitvormingsvraagstukken.
Kanttekening
In vergelijking met de fysieke bouwkunst heeft IT
nog een extra facet. Computers, en IT in het algemeen,
vervullen een steeds dominantere rol in de menselijke
samenleving. Dit heeft grote gevolgen, zowel voor
het functioneren van die samenleving als voor het
handelen van de individuele mens. Wij stevenen af
op een mens-computer samenleving waarin wij terdege
rekening moeten gaan houden met de capaciteiten van
hoogst interactieve, altijd aanwezige, pseudo-autonome
apparaten waarvan wij de werking niet geheel meer
zullen kunnen doorgronden. Dit brengt een groot aantal
ethische problemen met zich mee. Het is dan ook de
vraag of de mens wel moreel verantwoordelijk kan worden
gesteld voor de gevolgen die een apparaat veroorzaakt,
als het eenmaal een opdracht heeft gekregen.
Het is de taak van de architect om bij het ontwerp
van een apparaat de werking zodanig te expliciteren
dat een gebruiker te allen tijde volledig kan weten
wat hij aanricht.
Opbouw van het boek
In hoofdstuk 1 wordt de architectuur in de virtuele
wereld van business en IT geschetst: een eerste verkenning
van het ‘waarom en wat’. Wat valt er eigenlijk allemaal
onder architectuur en waarom verschijnt dit begrip
nu ineens boven de horizon, als we spreken over IT-gerelateerde
aangelegenheden?
Vervolgens wordt, in hoofdstuk 2, ingegaan op de plaats
en de rol van architectuur. Ondernemingen maken veel
vaker gebruik van architecturale zaken dan wij denken.
Zij geven het vaak aan met andere termen. Daarom is
het belangrijk dat we een duidelijk gevoel krijgen
waar architectuur aanwezig zou horen te zijn. Dit
hoofdstuk geeft daarbij voor bedrijf en stakeholders
een kader aan.
In
hoofdstuk 3 komen enkele zaken aan bod die in de boardroom
aan de orde (horen te) komen; een fundamentele opsomming
van issues waar boardroom-leden van wakker horen te
liggen. Bij bijna al deze zaken speelt architectuur
op de achtergrond mee, meestal onder een andere benaming,
zoals inrichting, tactiek, verandermogelijkheid. Business
IT alignment is in wezen een architectuurvraagstuk.
En het fundament onder een succesvol business process
reengineering-traject is een architectuur.
Belangrijk bij dergelijke boardroom issues is je af
te vragen wat de benodigde keuzevrijheid is waarmee
rekening moet worden gehouden bij het concipiëren
van een architectuur. ‘What if’-scenario’s zijn dus
een belangrijke analysemethode om te komen tot een
toekomstvaste architectuur.
In
hoofdstuk 4 worden de grote problemen en uitdagingen
behandeld waarmee een moderne onderneming tegenwoordig
wordt geconfronteerd. Voor bijna elk van die problemen
en uitdagingen ligt de essentie van de oplossing in
het hebben van een juiste architectuur. Bij elk van
deze issues is immers de vraag welke maatregelen getroffen
dienen te worden om de onderhavige problemen in de
hand te houden en de uitdagingen te kunnen omzetten
in businessmogelijkheden. Binnen de vigerende architectuur
en de gekozen infrastructuren dienen deze maatregelen
uitvoerbaar te zijn.
In
hoofdstuk 5 bespreken wij de bestuurbaarheid van een
onderneming in het Informatietijdperk. De bestuurbaarheid
zowel in financiële zin als in niet-financiële zin
wordt bepaald door de inrichting van de informatiestromen
en aggregatiemechanismen die leiden tot dashboards.
Inrichting is bepalend voor de effectiviteit van het
menselijk handelen in een organisatie. In dit hoofdstuk
stellen we de inrichting gelijk aan de architectuur.Een
gedegen implementatie van een levend kennismanagement
is een belangrijk hulpmiddel bij besluitvormingsprocessen.
De
architectuurprincipes worden behandeld in hoofdstuk
6. Elke architectuur begint met een verzameling architectuurprincipes,
die als het ware het fundament onder de architectuur
vormt. Architectuurprincipes komen voort uit de business
strategie en de beoogde bedrijfscultuur en worden
nader geconcretiseerd in regels, richtlijnen en standaarden
mogelijk gedocumenteerd in patterns en templates.
Bovengenoemde verzameling van architectuurprincipes
dient geordend te worden en te worden bewaakt op coherentie
en onderlinge consistentie. Dit gebeurt middels een
framework.
In hoofdstuk 7 wordt nader ingegaan op het framework
van Cap Gemini Ernst & Young. Ook wordt het framework
gebruikt om de mogelijke vertaalslag naar ‘lagere’
architectuurprincipes coherent en consistent te houden.
De
architect komt ten tonele in hoofdstuk 8. Er zijn
veel soorten architecten en op meerdere hiërarchische
niveaus, doch het bedrijfsnut van een architectuur
staat of valt met een juiste organisatorische positionering
van deze functionaris. In dit hoofdstuk wordt daarom
uitvoering stilgestaan bij taakinhoud, bekwaamheden
en persoonlijkheidsprofiel.
In
hoofdstuk 9 komt de vraag aan bod ‘hoe komen we aan
een architectuur’. De antwoorden variëren van zelf
doen, laten maken en kopen tot ‘over je heen laten
komen’. Vooral de laatste ‘strategie’ komt nog te
vaak voor en herbergt zeer grote bedrijfsrisico’s.
Ten
slotte komt in hoofdstuk 10 het bedrijfseconomisch
nut van architecturen aan bod. Hoewel we het pas in
het laatste hoofdstuk bespreken, speelt de vraag ‘wat
heb ik eraan en wat kost het?’ meestal al voordat
wij met een architectuur kunnen beginnen. De voorgaande
negen hoofdstukken geven al een eerste impliciete
indicatie van dit kosten/baten-vraagstuk. Zoals bekend
is hierbij het grootste probleem hoe we de kwantitatieve
kosten op de korte termijn en zachte kwalitatieve
baten op de wat langere termijn in overeenstemming
kunnen brengen.
|